INSTITUTO
CERVANTES BENELUX ENGLAND AND
WALES
Opleiding en Training, Werving
en Selectie, Management, Business Consultancy, Reizen, Vertaalservice, Tolkenservice, Public Relations, Communicatie, Publishing, Spaans in Spanje, Amerika, Ondernemerschap, Luchtvaart, Automatisering, Internet, Productions, Verzekeringen, Hotels, Bankbedrijf, Voetbal, Prinses Diana Stadion, Televisie, Onroerend goed
FOTO BOVEN: 2005 LA
PAZ DE VALLADOLID
Embajada Real
de los Paises Bajos. Paseo de la Castellana, 178. E 28046 MADRID.
Frans L.E. Hulsman. Consejero para asuntos económicos. Doelstellingen * Participatie in
College van Advies * Subsidiëring * Financieringsmogelijkheden
* Aanbevelingen aan bedrijven * Invulling College van Advies *
Overige samenwerkingsvormen. Inleiding: start met raakvlak, de
heer Minderhout, en het verloop van het Spanjeproject van Nieuw Elan en
CERYSE. Geïnformeerd naar
het aantal in Spanje
terechtgekomen cursisten. Gemeld niet bij de uitvoering van het
project betrokken te zijn geweest, hetgeen ik jammer vond i.v.m.
mijn kennis en invoelingsvermogen van de Spaanse taal en cultuur.
Daarna Cervantes-beleidsplan
laten zien. Hij begreep het niet goed, dacht dat ik stageplaatsen
kwam werven. Daarna verteld dat tijdens NCH-seminar over Spanje
het duideiijk was geworden dat Nederlandse bedrijven gemiddeld
vier keer onderuit gaan voordat ze succes hebben in Spanje.
Cervantes
stelt zich ten doel bedrijven die zich in Spanje
willen vestigen bij dit proces te helpen d.m.v. een gericht dienstenpakket. Participatie in College van Advies. Niet ter sprake gekomen. De heer Hulsman heeft
nog te weinig beeldvorming. Hij
is bekend met instellingen als Elseviers Talen, NIOW, Linguarama,
Van Dale Talen. Het is duidelijk dat ik eerst de toegevoegde waarde
moet aangeven. Hulsman speelt vervolgens graag de advocaat van
de duivel en vraagt zich af of Nederlandse bedrijven met een Spaanse
dochteronderneming hun medewerkers niet het beste naar de dochteronderneming
kunnen sturen om Spaans te leren. Subsidiëring: Geen
mogelijkheid. Financieringsmogelijkheden: Niet ter sprake gekomen. Aanbevelingen aan bedrijven:
Niet in deze fase. Overigens kan de Nederlandse
overheid zich volgens Hulsman niet met het bedrijfsleven committeren
(?). Invulling College
van Advies. Niet besproken. Taak van
de afdeling economische zaken van de ambassade is slechts gegevens
verstrekken over economische ontwikkelingen. Overige samenwerkingsvormen.
Aanbevolen werd contact op te nemen met de heer Erik Kavelaers
van IVC (tel. 2506905, fax 4575373). Helpt bedrijven bij het vestigen
van hun bedrijf in Spanje.
Ook een advocatenkantoor waarvan hij zich de naam niet wist te
herinneren zou zinvol zijn voor een gesprek alsmede de Dutch
desk van de ABN, Serrano 55 - Paul Jansen. Deze afdeling adviseert
nieuwe bedrijven (dat heb ik echter niet gedaan i.v.m. slechte
ervaringen met de oprichter van dit bedrijf, JH 8-2-1999). Losse
opmerkingen: Nederland grootste investeerder. '89: 18%, 90 gestegen
tot 64% -> 22%, 31% van alle EG-investeringen. 91 afgenomen
met 4,5%. Is toch op 22% van buitenlandse investeringen blijven
zitten. DHV: Coen Jager: tecnoma (3885216/7598859), Avenida de
Carondelet 9.
Economische informatie. Verstrekt door de heer Hulsman t.b.v. publiciteitsdoeleinden.
Eis: bronvermelding. Afkomstig van: F.L.E. Hulsman, Amb. Madrid.
Bestemd voor: EVD, t.a.v. Mevrouw Th. Linck. Datum: 19 februari 1992. Ontwerptekst
voor Spanje
nummer van Expo Magazine.
Inleiding Elk jaar reizen 2 miljoen
Nederlanders naar Spanje.
De meesten van hen genieten voornamelijk van het strand, de zee en de zon. Spanje
heeft echter zoveel meer te bieden, het is een land met een rijke
eeuwenoude cultuur die 800 jaar Arabische invloed heeft ondergaan.
Dit is niet alleen te merken aan de gevarieerde bouwstijl, maar
ook aan het karakter van de Spanjaard. Naast de vele Nederlandse
zon- en cultuuraanbidders is er ook een grote groep Nederlanders
die intensieve zakelijke contacten met Spanje
onderhoudt. Bijna alle grote Nederlandse ondernemingen zijn in
Spanje
vertegenwoordigd en al 3 jaar lang is ons land de grootste buitenlandse
directe investeerder. De omvang van de handel tussen de beide
landen is te vergelijken met de totale handel tussen Spanje
en Zuid-Amerika. Alle ogen zijn dit jaar op Spanje
gericht i.v.m. de Olympische Spelen in Barcelona en de Wereldtentoonstelling
in Sevilla, waar Nederland
met een opmerkelijk paviljoen is vertegenwoordigd. Spanje
gaat een steeds belangrijker
rol in de EG spelen mede door de snelle ontwikkeling van zijn
economie. Hieronder worden de belangrijkste aspecten van die economie
belicht. De toetreding van Spanje
tot de EG op 1 januari 1986 is de grote drijfveer geweest van
de modernisering van de Spaanse
Economie. Omdat Spanje
tot aan het eind van de jaren 60 een sterk autarkisch karakter
had, waren de handelscontacten met het buitenland gering en was
de Spaanse industrie zeer binnenlands gericht, hetgeen de kwaliteit
van het afgeleverde produkt niet ten goede kwam wegens het ontbreken
van voldoende concurrentie. De binnenlandse markt werd nl. afgeschermd
door hoge tolmuren met importquota op ongeveer een kwart van de
in te voeren produkten. Tot aan de toetreding richtte de Spaanse
in- en uitvoer zich wel reeds fors op de EG-landen, maar de aandacht
was ook voor een niet onbelangrijk deel gericht op de landen in
Latijns Amerika en de V.S. In 1985 ging nog 52% van de Spaanse
uitvoer naar de EG terwijl die in 1991
al 72% bedroeg. De invoer vanuit de EG steeg van 37% in 1985 tot
60% in 1991.
De invoer uit de VS daalde van een aandeel van bijna 11% in 1985
tot 8,3% in 1990 en 8% in 1991,
terwijl de invoer vanuit Latijns Amerika zakte van 10,25% in 1985
naar 4,3% in 1990 en 1991.
Na een aanvankelijk wat stroeve start waarbij het nog al eens
voorkwam dat goederen aan de grens werden opgehouden omdat of
douaneambtenaren nog niet volledig waren geïnformeerd over
de nieuwe invoerbepalingen of de produkten niet vergezeld waren
van de juiste homologatiepapieren, werden de geldende invoerrechten
met een gemiddeld percentage van 12,5% per jaar afgebroken, hetgeen
bevorderde dat een grote stroom van met name kapitaalgoederen
Spanje
binnenkwam. Met de invoer van moderne machinerieën kwam ook
een belangrijke bron van kennisoverdracht Spanje
binnen. Deze nieuwe impulsen hebben ervoor gezorgd dat de Spaanse
economie na 1986 gedurende enkele jaren een spectaculaire groei
doormaakte. Zo bedroeg de groei van het BNP in 1986 nog 3,3%,
maar sprong in het jaar daarop naar 5,5 % terwijl 1988 en 1989
een toename van 5,2% lieten zien. Deze cijfers lagen zo'n 1,5%
boven de gemiddelde groei van de EG-partners. De genoemde hoge
groei was voornamelijk te danken aan een sterke binnenlandse vraag.
Het was de nieuwe middenklasse, die vaak op basis van persoonlijke
kredieten in staat werd gesteld om produkten aan te schaffen die
voorheen voor deze bevolkingsgroep niet bereikbaar waren. Het
gevolg hiervan was wel dat de economie in de loop van 1989 tekenen
van oververhitting begon te vertonen waardoor bij gebrek aan voldoende
toevoer van gevraagde produkten, de prijzen begonnen te stijgen
die de inflatie deed aanwakkeren. De speculatie op de onroerend
goed-markt speelde daarbij ook een weinig verheffende rol, hetgeen
tot resultaat had dat de prijzen van de huizen waarvoor de Spanjaard
hoge hypotheekrente moet betalen in ongeveer 6 jaar vertienvoudigden!.
Om de verhitte economie wat te laten afkoelen besloot de regering
midden 1989 een aantal monetaire en fiscale maatregelen in te
voeren. Zo werd de verplichte kasreserve bij de Centrale Bank
verhoogd van 18 naar 19% (7,5% daarvan bracht echter geen rente
op hetgeen de door de bank aan de cliënt berekende rente
uiteraard deed stijgen), de bronbelasting werd verhoogd van 20
naar 25% en de Centrale Bank bepaalde dat de kredietverlening
niet meer dan 17% mocht stijgen boven de kredietverlening in 1988.
(in 1990 werd er zelfs een limiet van 10% gesteld aan die stijging).
Om te verhinderen dat de kredieten uit het buitenland werden betrokken
werd bepaald dat een derde deel van zo'n lening zonder renteopbrengst
bij de Centrale Bank moest worden gestort. Hoewel de restrictieve
kredietpolitiek in de eerste helft van 1990 nog weinig resultaat
vertoonde (er werden op ruime schaal bedrijfskredieten verstrekt
en de grote hoeveelheid zwart geld in Spanje
gaf de consument vooralsnog een koopkrachtmarge), trad er een
ommekeer op na het begin van de Golfcrisis. De gevolgen van de
Golfoorlog en de algemene economische teruggang versterkten het
effect van het economisch afkoelingsbeleid van de regering. Omdat
Spanje
voor 85% afhankelijk is van ingevoerde energie werd aanvankelijk
gevreesd dat hoge olieprijzen de economische groei zeer nadelig
zouden beïnvloeden. Deze vrees werd echter niet bewaarheid.
De hoge groei van het BNP nam in de jaren 1989 geleidelijk aan
af, van 3,7% in 1990 tot 2,6% in het afgelopen jaar. Deze groei
was voornamelijk te danken aan de diensten- en landbouwsector
omdat de industriële produktie stagneerde. De binnenlandse
vraag, die door de regering d.m.v. de genoemde restrictieve economische
politiek bewust werd afgeremd, verminderde van een toename van
7,9% in 1989 tot 3,2% in l991, hetgeen natuurlijk zijn weerslag
had in de productie. Deze teruggang was bijvoorbeeld duidelijk
te merken aan de autoverkopen die gedurende 1991
met bijna 10% afnamen, waardoor de producenten gedwongen werden
hun afzet dit maal naar het buitenland te verleggen. Ook de kredietverlening
verminderde; door de hoge rente konden de Spanjaarden, die gewend
zijn om veel d.m.v. termijnbetaling te kopen eenvoudigweg niet
al hun afbetalingen meer aan. Voor een persoonlijk krediet moet
de Spanjaard nl. ongeveer 18% rente betalen. De groei van kredietverlening
aan de particuliere sector is verminderd van een stijging van
bijna 19% in het eerste tremester naar 15,4% over de eerste 9
maanden van 1991.
(In 1990 werd er door de Banco de España nog een limiet
van 10% gesteld aan de kredietgroei, welke limiet in 1991
slechts als aanbeveling gold). Opvallend was ook dat de banken
geconfronteerd werden met een toename van het aantal achterstallige
afbetalingen van bedrijfskredieten, dat vorig jaar met 44% is
toegenomen. De economische teruggang vertaalde zich ook in een
vermindering van de groei van de binnenlandse investeringen met
name in kapitaalgoederen, in de sector Midden- en Kleinbedrijf,
dat niet zoals buitenlandse multinationals toegang had tot de
goedkopere fondsen uit het eigen land. Uiteraard had de verminderde
investeringstoename ook zijn weerslag op de groei van de werkgelegenheid.
Merkwaardig genoeg echter bleven de buitenlandse investeringen
in Spanje
groeien. Dit was voornamelijk te danken aan de hoge rente, die
minister Solchaga van Economie en Financiën voorlopig handhaaft
omdat het veel buitenlands kapitaal aantrekt en de positie van
de peseta zeer versterkt, waarmee het vertrouwen in de Spaanse
economie blijft gehandhaafd. De investeringen vanuit het buitenland
die op de beurs in staatsleningen worden belegd vormen een welkome
bron van financiering van het overheidstekort terwijl daarnaast
de buitenlandse deviezenvoorraad een uitstekend tegenwicht betekent
voor het tekort op de Lopende Rekening. Hoewel de te sterke peseta
de Spaanse export nadelig zou moeten beïnvloeden is die export
het afgelopen jaar opvallend toegenomen. Dit is echter eerder
het gevolg van de vermindering van de binnenlandse vraag waardoor
de producent zijn heil ging zoeken op buitenlandse markten, dan
tengevolge van een verbeterde exportpositie van het Spaanse produkt.
Wel heeft de vereniging van Duitsland tijdelijk gezorgd voor een
verhoogde belangstelling voor Spaanse produkten in voormalig Oost-Duitsland.
De groei van de invoer nam in de tweede helft van 1991
weer wat af waardoor in combinatie met de toegenomen uitvoer,
het steeds groter wordend tekort op de handelsbalans enigszins
werd omgebogen.
Invoer-Uitvoer. In 1989 vertoonden de invoercijfers nog een stijging
van 21%. In 1990 daalde de toename mede ten gevolge van de restrictieve
economische politiek sterk waardoor de groei zakte tot 5,4% (Voor
Nederland
waren die cijfers veel gunstiger, want onze export naar Spanje
steeg nog met 19%). In 1991
herstelde de invoer zich enigszins en kwam uit op een groeicijfer
van 8,5%. Dit maal bleef de exporttoename vanuit Nederland
echter sterk achter met een groeicijfer van slechts 2,5%! Dit
is een opmerkelijk verschijnsel daar de gemiddelde exporttoename
vanuit de EG gedurende de eerste 11 maanden 9% bedroeg. De Spaanse
uitvoer nam in 1989 toe met 13%. In 1990 verminderde de groei
tot 7,3% om in 1991
weer toe te nemen tot een groei van 10,3%. Op zich is dit een
gunstige ontwikkeling, maar kan bij lange na niet de negatieve
resultaten van de handelsbalans goedmaken. Zoals gezegd is de
toename van de export vorig jaar voornamelijk te danken geweest
aan de verminderde belangstelling op de binnenlandse markt. De
traditionele Spaanse ondernemer is niet zo geneigd zijn belangstelling
op het buitenland te richten, zolang hij zijn produkten in het
binnenland kwijt kan. Dit is nog een gevolg van jaren autarkie
en veel red tape die de uitvoer bepaald niet vergemakkelijken.
Daarbij komt dat de
kennis van buitenlandse talen in het bedrijfsleven en met name
van het Engels nog uiterst beperkt is. Het
zijn voornamelijk de grote in Spanje
met dochterondernemingen opererende multinationals die een belangrijk
aandeel in de Spaanse export hebben. Zij nemen twee-vijfde gedeelte
van de uitvoer van industrieprodukten voor hun rekening en nemen
de eerste vier plaatsen in van de grootste Spaanse exporteurs.
(Het feit dat zo weinig Spanjaarden een buitenlandse taal spreken
is overigens ook de reden dat van ambassadezijde aan bezoekende
Nederlandse zakenlieden wordt geadviseerd om te zorgen dat zij
bij hun contacten in Spanje
altijd gebuik maken van een tolk, dan wel een collega meenemen
die Spaans spreekt als zij zelf de taal niet machtig zijn. Ook
correspondentie dient practisch altijd in het Spaans te geschieden
wil men effectief te werk gaan en ervan verzekerd zijn dat hij
door de geadresseerde beantwoord wordt.) Het dekkingspercentage
van de handelsbalans verbeterde door de exporttoename in 1991
iets (64%) in vergelijking met 1990 (63%) hoewel het grote tekort
van 32 miljard dollar in 1990 toch is toegenomen tot 33,2 miljard
dollar vorig, jaar. Dit grote deficiet beïnvloedt uiteraard
de Balans op de Lopende Rekening zeer negatief.
Balans op de
Lopende Rekening. Terwijl de lopende
rekening in 1987 nog een overschot liet zien van 1,2 miljard dollar,
verslechterde de situatie snel in de jaren daarna. Zo was het
tekort in 1989 al opgelopen tot 12 miljard dollar. In 1990 steeg
het tot 15,7 miljard, terwijl dat in l 991 met 5,8% nog verder
steeg tot 16,6 miljard. (3,14% van het BNP). Uiteraard is dat
voornamelijk te wijten aan het tekort van 31,3 miljard dollar
op de handelsbalans. Het eindresultaat werd echter gunstig beïnvloed
door de optelsom van de Overmakingen door de 1,6 miljoen Spaanse
werknemers in het buitenland, (die van 1990 naar 1991
met 24% toenamen) en van de inkomsten van de Dienstenbalans. Samen
brachten die 14,6 miljard dollar het land binnen. De Golfoorlog
en de burgeroorlog in Joegoslavië hebben de Dienstenbalans
gunstig beïnvloed. Terwijl de inkomsten uit het toerisme
aan het teruglopen waren vanwege een te dure peseta, gebrek aan
kwaliteit en een steeds duurder wordend Spanje,
deden de oorlogshandelingen touroperators besluiten om Spanje
toch weer in hun aanbiedingen op te nemen. Dit had tot gevolg
dat de inkomsten in 1991
tegen de aanvankelijke verwachtingen in het voorjaar in, met 5%
stegen. Het aantal grensoverschrijders bedroeg vorig jaar 53,5
miljoen - anderhalf miljoen meer dan in 1990. Men beseft evenwel
dat de kwaliteit van het aanbod in de toeristensector verbeterd
moet worden. Het secretariaat-generaal voor toerisme heeft inmiddels
een Witboek klaarliggen waarin nieuwe normen en richtlijnen zijn
uitgestippeld, die als leidraad moeten gelden voor de Autonome
en Provinciale autoriteiten. Spanje
wil af van het eenzijdige imago van zon en zee (met volgebouwde
kusten) en wil meer kwaliteitstoerisme naar het binnenland trekken
dat zo ontzettend veel oude cultuur te bieden heeft.
Buitenlandse
Reserves. De hoge rente en de sterke
peseta blijven grote aantrekkingskracht houden voor de buitenlandse
beleggers. Terwijl de reserves in 1986 nog 16 miljard dollar bedroegen,
sloot 1991
met een reservetotaal van ruim 66 miljard dollar af! In 1990 bedroegen
die reserves nog 53 miljard. De grote buitenlandse reserve maakt
dat Spanje
zich in een tamelijk comfortabele positie bevindt ondanks het
aanzienlijke tekort op de handelsbalans van ruim 31,3 miljard
dollar. Opvallend was de sterke groei van buitenlandse beleggingen
in schatkistpapier in de maanden april en mei vorig jaar. Dit
was o.m. het gevolg van een discontoverlaging door de Centrale
Bank met een procent, waardoor ook de rente op de termijnmarkt
daalde. De buitenlandse beleggers kochten toen snel op grote schaal
schatkistpapier uit vrees dat de rente verder zou dalen, hetgeen
echter niet gebeurde. Een andere stimulans was dat de buitenlanders
konden profiteren van een gunstigere fiscale regeling die inhield
dat buitenlanders geen 25% bronbelasting meer hoefden te betalen
over hun gemaakte winst op de aandelen- en obligatiemarkt. Een
andere maatregel die buitenlands kapitaal aantrok was de afschaffing
van de verplichte 30 procent kasreserve voor buitenlandse kredieten.
Gedurende het afgelopen jaar zijn de beleggingen door buitenlanders
in schatkistpapier verviervoudigd tot 38,7 miljard gulden. De
belangstelling ging voornamelijk uit naar obligaties met een langere
looptijd. De totale staatsschuld in Spanje
bedraagt 46,2% van het BNP hetgeen relatief laag is in vergelijking
met enkele andere Europese landen.
Investeringen.
Tot 1990 vertoonden de Spaanse binnenlandse
investeringen een gemiddelde groei van ongeveer 14%. Dit was het
dubbele van de groei in de overige landen van de EG. Tengevolge
van de teruglopende binnenlandse vraag en een verminderde industriële
produktie van 3% gedurende het afgelopen jaar, daalde de groei
van de investeringen tot ongeveer 4%. Terwijl de overheidsinvesteringen
in het eerste half jaar van 1991
nog een sterk expansief karakter hadden met een groei van ongeveer
15%, deed de vrees voor een steeds groeiend overheidstekort de
regering besluiten om de overheidsinvesteringen te beperken. In
juli 1991 besloot
de ministerraad om 2,5% op de begroting van dit jaar te bezuinigen.
De overheidsuitgaven waren nl. tot in mei al met 23% gestegen,
terwijl slechts een toename was gepland van 6,5%. De ministeries
die het meest moesten inleveren waren defensie met 32% en Openbare
Werken en Transport met 31%. Hierdoor werd een aantal geplande
infrastructurele projecten opgeschort, maar werd er niet getornd
aan de investeringen voor de Expo en de Olympische Spelen. De
bedrijfsinvesteringen liepen in 1991
terug, niet alleen door een vermindering van de binnenlandse vraag,
maar ook door de algemene economische recessie. Toch waren deze
investeringen met een aandeel van 20% van het BNP relatief hoog
in vergelijking met andere OESO-landen.
Buitenlandse
directe investeringen. De eerste jaren
na de Spaanse toetreding tot de EG deed de belangstelling voor
investeringen door buitenlandse bedrijven in Spanje
geweldig toenemen. Op grote schaal werden Spaanse bedrijven overgenomen
of kwamen er fusies en participaties tot stand. In 1990 liepen
de directe investeringen op tot 17,8 miljard dollar, in peseta's
omgerekend 44% meer dan in 1989. In de eerste 10 maanden van vorig
jaar bedroegen de investeringen 15,6 miljard dollar, slechts 3,5%
meer dan in dezelfde periode in 1990. Het grootste gedeelte hiervan
(65%) is afkomstig van de EG-partners. De Nederlandse investeringen
hebben steeds een belangrijke rol gespeeld in Spanje.
In 1989 nam ons land de eerste plaats in van de buitenlandse directe
investeringen met een aandeel van 18%. Deze plaats heeft Nederland
de laatste jaren kunnen handhaven, daarbij op de voet gevolgd
door Frankrijk. In 1990 stegen onze investeringen met 64,3% tot
een bedrag van 3,9 miljard dollar, waardoor ons land 22% van de
totale buitenlandse- en 31% van alle EG-investeringen voor zich
opeiste. Gedurende de eerste genoemde 10 maanden van 1991
namen de Nederlandse investeringen met 4,6% af, waarmee ons land
echter toch nog 22% van de totale buitenlandse directe investeringen
voor zijn rekening neemt en daarbij de grootste buitenlandse investeerder
blijft. Het verdrag
ter vermijding van dubbele belastingen tussen onze beide landen
speelt een niet onbelangrijke rol in dit geheel, omdat een aantal
investeringen vanwege (legale) fiscale voordelen via een in Nederland gevestigde holding worden gerealiseerd.
Inflatie
De ongebreidelde groei van de binnenlandse
vraag in de eerste jaren na de toetreding wakkerde de inflatie
aan. De hoogte daarvan nam weliswaar niet zulke waarden aan als
in de zeventiger jaren, toen hij opliep tot 27%, maar toch zodanig
dat de onmacht om deze cijfers binnen aanvaardbare grenzen te
houden de regering steeds meer zorgen baarde. De inflatiehoogte
bedroeg in de jaren 1986 tot en met 1991
respectievelijk 8,3% 4,6% 5,8% 6,9% 6,5% en 5,5%. Het inflatiecijfer
over het afgelopen jaar bleek voor de regering een meevaller te
zijn, terwijl de vakbonden, die er hun looneisen op baseren, er
vraagtekens bijzette. Inflatie maakt de Spaanse produkten dus
duurder in vergelijking met het buitenland, waardoor de concurrentiepositie
in gevaar komt en bovendien vormt het een bedreiging voor de toeristenindustrie,
die een van de belangrijkste inkomstenbronnen van Spanje
vormt. De strijd tegen de inflatie is mede in het licht van de
voorbereiding van de EMU, waarbij de nationale geldontwaarding
niet meer dan anderhalf punt mag afwijken van het gemiddelde van
3 EG-partners met de laagste inflatiecijfers, een van de hoofddoeleinden
van de economische politiek van de regering. Het invoeren van
de restrictieve monetaire politiek in 1989 was en is de basis
van de genoemde doelstelling.
Werkgelegenheid. De actieve bevolking bestaat uit ruim 15 miljoen
personen. De vermindering van de economische activiteit had begrijpelijkerwijs
een direct gevolg op de werkgelegenheid. In de tweede helft van
1990 was dit al te merken aan een toename van het aantal ontslagenen
en een verminderde vraag naar nieuwe werkkrachten. Met name was
dit het geval in de industrie. Over 1990 is de werkgelegenheid
met gemiddeld slechts een half procent gestegen, terwijl die stijging
in 1989 nog 5,4% bedroeg. Vorig jaar nam de werkgelegenheid met
1,2% toe. In de overheidssector steeg hij nog met 2%. De arbeidsmogelijkheid
nam het meest toe in de dienstensector (voornamelijk in de financiële
en verzekeringssector, gevolgd door de bouw). Mede ten gevolge
van de verminderde werkgelegenheid nam het aantal werkzoekenden
af. Ook de afgenomen bevolkingsgroei was van invloed waardoor
er zich minder jonge mensen aanboden in de leeftijdsgroep van
16 tot 19 jaar. Gedurende de eerste 9 maanden van vorig jaar is
het aantal werklozen afgenomen met 98.400, terwijl dat aantal
in dezelfde periode in 1990 gunstiger was met een vermindering
van 126.000. Toch is in absolute termen het aantal werklozen afgenomen
van een werkloosheidspercentage van 15,3% in september 1990 tot
14,9% in september vorig jaar. De meerderheid van de nieuw aangenomen
werknemers werd op tijdelijk contract aangesteld. Als men een
vast contract heeft en men wordt ontslagen, moet de werkgever
per gewerkt jaar 45 dagen uitbetalen hetgeen voor veel kleinere
bedrijven die werknemers met een groot aantal dienstjaren willen
ontslaan een zeer zware financiële last betekent. Zelfs naar
internationale standaarden is deze regeling nogal royaal, die
dateert uit een tijd dat de werkeloosheidsuitkering zeer gering
was. Er moet echter bij worden aangetekend dat de werkeloosheidsuitkering
ook nu nog vaak niet goed is verzorgd. Gedurende anderhalf jaar
ontvangt de werknemer 80% van zijn salaris en daarna niets meer.
Van de 2,3 miljoen werklozen die Spanje
op dit moment telt ontvangen 650.000 mensen
helemaal niets omdat daarvoor niet voldoende fondsen zijn. De
regering wil vooralsnog niet tornen aan de hoge ontslagregeling
van de arbeiders omdat dit bij gebrek aan alternatieve voorzieningen
grote sociale onrust zou veroorzaken. Sinds 1990 heeft de regering
gepoogd om met de bonden een algemeen loonakkoord te sluiten om
de Spaanse concurrentiepositie te kunnen verbeteren. Telkens zijn
deze pogingen echter mislukt. Het gevolg is dat steeds per sector
loonakkoorden worden gesloten waarbij de percentages nogal eens
van elkaar verschillen. In de particuliere sector zijn de lonen
vorig jaar met gemiddeld 8 procent gestegen. Bij de overheid werd
een loonstijging van 5,6% overeengekomen. Ambtenaren hebben nogal
wat "fringe benefits" waardoor de salarisstijging over
het algemeen lager ligt dan in de industrie. De belangrijkste
overkoepelende vakbonden in Spanje
zijn de voorheen met de PSOE verbonden Unión General de
Trabajadores (U.G.T.) en de communistische vakbond CCOO. Slechts
16% van de Spaanse werknemers is bij een bond aangesloten. Dit
neemt niet weg dat de UGT en de CCOO wel de belangrijkste sociale
gesprekspartners voor de regering zijn.
Handelsrelatie
met Nederland. In 1988
vertoonden de bilaterale handelscijfers voor het eerst voor Nederland
een handelsoverschot. In 1989 exporteerde ons land voor 5,3 miljard
gulden naar Spanje
terwijl er voor 2,7 miljard werd ingevoerd (een exportstijging
ten opzichte van 1988 van 43% en een invoertoename vanuit Spanje
van 9%). Het dekkingspercentage kwam daarmee op 191%. Ten gevolge
van de restrictieve monetaire politiek namen die cijfers in de
jaren daarna voor ons land minder spectaculair toe. Zo voerde
Nederland
in 1990 voor 5,8 miljard gulden uit (een toename van 19%) waardoor
ons dekkingspercentage zakte tot 177%. De cijfers over de eerste
8 maanden van vorig jaar vertonen met een exportgroei naar Spanje
van slechts 1,4% een behoorlijke terugval in de positie van ons
land. Daartegenover staat echter dat de Spaanse uitvoer het nog
minder gunstig deed met een negatieve groei van 1,5%, waardoor
het dekkingscijfer voor Nederland
vooralsnog op 180% uitkomt. De Nederlandse invoer in Spanje
vertegenwoordigt 3,5% van de totale Spaanse invoer, terwijl de
Spaanse export naar ons land 4,2% van de totale Spaanse export
vertegenwoordigt. Deze cijfers zijn ongeveer te vergelijken met
de handel van Spanje
met heel latijns Amerika die slechts 4% van de totale Spaanse
handel uitmaakt. Het grootste deel van de Nederlandse uitvoer
bestaat uit industrieprodukten (82%), terwijl de rest uit landbouwprodukten
bestaat. Het pakket industrieprodukten is min of meer als volgt
te verdelen: 30% machines en transportmateriaal, 20% chemische
produkten, 20% chemische produkten, 20% levensmiddelen, 11% diverse
gefabriceerde goederen en 6% grondstoffen. De uitvoer van Spanje
naar Nederland
laat een overeenkomstig beeld zien: transportmateriaal 31%, levensmiddelen
24% en chemische produkten 11%. Zoals eerder vermeld is Nederland
de laatste jaren de grootste buitenlandse directe investeerder
in Spanje
gebleven, waarbij die investeringen over de eerste 10 maanden
van 1991 3,4
miljard dollar bereikten, een geringe afname in vergelijking met
het jaar daarvoor. Het grootste gedeelte (74,04%) van de investeringen
in 1990 gingen naar de dienstensector zoals Banken, Verzekeringen
en Consultancy bureaux, 6,24% ging naar de horeca, 5,67% naar
industriële produktie, 5,11% naar energie en water en 4,35%
naar de chemie. Het zwaartepunt van onze investeringen ligt in
Catalonië met 62%, terwijl dat aandeel in 1990 nog 49% bedroeg
gevolgd door Madrid met 27,7% (was 31%), daarna komt Andalusië
met 3,2% en Valencia met 1,5%. Er staan ongeveer 240 in Spanje
gevestigde Nederlandse bedrijven bij de Ambassade geregistreerd.
Deze lijst variëert van grote multinationals tot enkele eenmansbedrijven.
Conclusie. 1992
is voor Spanje
en heel belangrijk jaar. Het zal wereldwijde belangstelling krijgen
door de Olympische Spelen in Barcelona en de Wereldtentoonstelling
in Sevilla waarin 110 landen participeren. Daarnaast is Madrid
Culturele Hoofdstad en wordt de vijfhonderdste verjaardag van
de ontdekking van Amerika gevierd. Zowel de Olympische Spelen
als de Expo hebben ervoor gezorgd dat er een serieus begin is
gemaakt met de infrastructurele verbetering van het land. Deze
verbeteringen zijn voornamelijk geconcentreerd rond Barcelona
en Sevilla. Men hoopt echter dat de ontwikkeling die Andalusië
nu meemaakt een impuls zal betekenen voor de toekomstige ontwikkeling
van de regio. Er zijn echter meer regio's die steun nodig hebben
van de Centrale overheid. Zo kampt de mijnbouw- en staalindustrie
in Asturias, Cantabrië en Baskenland met grote problemen.
In de mijnbouw en de staalindustrie werden grote sommen overheidsgeld
gepompt zonder dat die industrie veel toekomstmogelijkheden heeft.
De Europese Commissie heeft Madrid reeds de wacht aangezegd om
te stoppen met de subsidies die in een bodemloze put werden gegooid.
Dit zou betekenen dat er totaal zeker 12.000 arbeidsplaatsen zouden
moeten verdwijnen, hetgeen een groot sociaal probleem in het Noorden
zou creëren. Mede onder druk van de vakbonden heeft minister
Aranzadi, van Industrie, Energie en Handel, een plan ingediend
voor de herindustrialisering van het Noorden. Dit plan is intussen
door de ministerraad goedgekeurd maar er is nog niet bepaald uit
welke begroting de fondsen moeten worden betaald. Spanje
heeft in enkele jaren een stormachtige economische ontwikkeling
doorgemaakt die het land een relatief belangrijke plaats in de
Europese Gemeenschap heeft bezorgd, waarbij het nog wel niet tot
de toonaangevende landen binnen de gemeenschap hoort maar zeker
de potentie heeft, om als het zijn economie verder weet aan te
passen, te worden geaccepteerd als een partner om rekening mee
te houden. De akkoorden die onlangs zijn gesloten in het kader
van de Europese raad van Maastricht zullen van Spanje
een aanpassing van zijn economie vereisen. Minister Solchaga heeft
inmidels een convergentieplan in voorbereiding teneinde in 1996
volledig mee te kunnen draaien in de Europese Monetaire Unie.
Deze convergentie houdt in dat de inflatie, de rentestand en het
financieringstekort tot aanvaardbare proporties zullen worden
teruggebracht. Het financieringstekort zal in 1992
zeker op 2,4% van het BNP uitkomen, terwijl enkele maanden geleden
nog gemikt werd op een tekort van 1,9%. De rentestand van 12,65%
is hoog in vergelijking met omringende landen. Dit fenomeen trekt
veel buitenlands kapitaal aan maar zorgt tegelijkertijd voor een
opwaartse druk op de peseta waardoor die reeds bovenin de voor
Spanje
in de EMS toegestane bandbreedte van 6% blijft zweven. De dure
Peseta werkt uiteraard nadelig voor de Spaanse export, die weliswaar
sinds vorig jaar een verbetering te zien gegeven heeft maar die,
zoals eerder opgemerkt, meer conjunctureel van aard was dan getuigde
van een werkelijk structurele verbetering. Het Midden- en Kleinbedrijf
heeft het niet altijd even makkelijk met de penetratie van de
buitenlandse markt. Nu Spanje
is overgegaan tot een practische volledige liberalisering van
het kapitaalverkeer zal de druk om zich aan te passen aan een
bandbreedte van 2,25% binnen het EMS voorlopig wel zijn verminderd
omdat deze beperking op monetair gebied veel minder manouvreerruimte
biedt. Uitspraken van de zijde van de Centrale Bank en het ministerie
van Financiën duiden erop dat de aanpassing zeker niet voor
eind 1993 te verwachten is. Het zal voor de Spaanse producent
vooralsnog niet zo eenvoudig zijn om zijn concurrentiekracht te
kunnen meten met die van zijn Europese partners. Wat hem parten
speelt is het gegeven van een markt met een geringere productiviteit
(85%), hoge salariskosten en hoge energie- en financieringskosten.
De werkgeversorganisatie CEOE heeft reeds diverse malen aangedrongen
op loonmatiging om de concurrentiekracht en de werkgelegenheid
niet in gevaar te brengen. Spanje
kent practisch geen eigen grote multinationals met uitzondering
van de oliemaatschappij Repsol, Iberia en Telefónica. De
hoge rentestand heeft het nadeel dat de bedrijfsinvesteringen
er onder lijden, hetgeen zijn repercurssie heeft op de produktie
en de werkgelegenheid. In vergelijking met de andere Europese
partners heeft Spanje
een hoog aantal werklozen en kampt het met fundamentele problemen
in de metaal- en mijnbouwindustrie. De toekomst van dit land is
echter zeker niet somber: Hoewel de inflatie nog hoger is dan
sommige andere landen is er toch een zeker neergaande tendens
waarneembaar. Na jaren van autarki en geïsoleerdheid heeft
Spanje
zich binnen enkele jaren kunnen opwerken tot een volwaardige EG-partner,
die ook politiek een steeds belangrijkere rol gaat spelen. Spanje
kent daarnaast sinds kort een vrij kapitaalverkeer hetgeen het
handelsverkeer zeer vereenvoudigt. In zijn laatste rapport over
het vierde kwartaal van 1991,
heeft de Banco de España voorspeld dat het eerste trimester
van 1992 een
gunstiger economisch beeld zal vertonen. Het laatste trimester
van vorig jaar vertoonde reeds tekenen van herstel, waarbij het
BNP met 2,7% groeide, een punt boven het EG-gemiddelde. De bank
verwacht een groei van de binnenlandse vraag en een toename van
de produktie. Deze verbetering zal ook het genoemde convergentieplan
van de regering ten goede komen. Aan twee convergentie-eisen,
die uit de Top van Maastricht zijn voortgevloeid, kan Spanje
redelijk gemakkelijk voldoen. Zo hoopt de regering de overheidsschuld
in 1996 tot
ongeveer 40% van het BNP te hebben teruggebracht en zal het overheidstekort
binnen enkele jaren sterk gereduceerd worden. Staatssecretaris
Zalbalza van Financiën heeft onlangs in de Senaat verklaard
dat zowel de centrale regering als de autonome gebieden en de
gemeentes hun uitgaven na 1994 drastisch zullen moeten verlagen.
Hij stelt voor om in 4 jaar het overheidstekort van de huidige
3,2% van het BNP terug te brengen tot 0,4% in 1996.
Het verlagen van de rente zal in sterke mate afhangen van het
succes van de inflatiebestrijding. De liberalisering van het kapitaalverkeer
zal ongetwijfeld ook een matigende invloed op de hoogte van de
rente hebben. Een lagere rente zal daarna de inflatie en de investeringen
positief beïnvloeden. Zeker is dat de regering alles op alles
zal zetten om geen tweede plaats te hoeven innemen in een Europese
Monetaire en Politieke Unie. F.L.E.
Hulsman.
Afspraken. De heer Hulsman krijgt een verslag van ons gesprek
en mijn kaartje. (7-2-1999: Ik kan beter weer een keer op bezoek
gaan op de Castellana)
J.L. VAN DER HEYDEN
Het EERSTE
PAARSE KABINET van het KONINKRIJK
DER NEDERLANDEN.
Voorste rij van links naar rechts Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen JO
RITZEN, Minister
van Buitenlandse zaken HANS
VAN MIERLO, Minister-President
WIM
KOK, Oprichter Instituto
Cervantes JOHN
VAN DER HEYDEN,
Minister van Binnenlandse Zaken en Vice Premier HANS DIJKSTAL, Minister van Justitie WINNIE
SORGDRAGER, Minister
van Financiën GERRIT
ZALM. Achterste
rij van links naar rechts Minister van Volksgezondheid en Sport
ELS
BORST, Minister
van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij JOZIAS VAN AARTSEN, Minister van Verkeer en Waterstaat
ANNEMARIE
JORRITSMA, Minister
van Defensie JORIS
VOORHOEVE, Minister
van Economische Zaken HANS
WIJERS, Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid AD MELKERT en Minister van Ontwikkelingswerk
JAN
PRONK.
INSTITUTO CERVANTES BENELUX ALS NEDERLANDSE
ACTIVITEIT
CENTRO
DE LENGUAS E INTERCAMBIO CULTURAL
Instituto Cervantes is legally registered at the Benelux Trade
Registrar under
deposit numbers 0508277 and 843323 in class 41: education, trainings
and courses and is a tradename of the Foundation
Cervantes Benelux
in Nijmegen, registered under number 41211928 of the Chamber of
Commerce of Amsterdam (IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto
Cervantes Limited
is registered for England and Wales under Company No. 3300636
at Companies
House, Cardiff.
Cervantes Holding
is a member of the Baak-kring
Management Centre VNO-NCW.
Photograph ENGELENBURG
CASTLE, KINGDOM
OF THE NETHERLANDS.
Instituto Cervantes está legalmente depositado como marca
comercial en el
registro de marcas del Benelux-Bureau
voor de Intellectuele Eigendom bajo los números de depósito 0508277
y 843323 en clase 41: educación, enseñanza y cursos
y es un nombre comercial de la Fundación Stichting Cervantes
Benelux en Nimega,
inscrito bajo número 41211928 de la Cámara de Comercios
en Amsterdam (IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto
Cervantes Limited
is registered for England and Wales under Company No. 3300636
at Companies
House Cardiff. Cervantes
Holding es miembro
del Baak-kring
Centro de Gestión
Empresarial del Patronal del Reino de los Países Bajos
VNO-NCW.
Foto arriba CASTILLO ENGELENBURG
EN BRUMMEN.
Instituto Cervantes is als handelsmerk wettig gedeponeerd bij het Benelux
Bureau voor de Intellectuele Eigendom onder depotnummers 0508277 en 843323 in klasse
41: onderwijs, opleidingen en cursussen en is een handelsnaam
van de Stichting
Cervantes Benelux
te Nijmegen, ingeschreven onder nummer 41211928 van de Kamer
van Koophandel te Amsterdam
(IBAN: NL91INGB0004729266 BIC: INGBNL2A). Instituto
Cervantes Limited
is registered for England and Wales under Company No. 3300636
at Companies
House, Cardiff.
Cervantes
Holding is lid van
de Baak-kring, Management Centre VNO-NCW.
La Corona de
la Casa
Real Española
sirve de símbolo de unidad de nuestros países y
muestra la Lealtad Histórica
como expresada en el himno nacional de los Países Bajos.
More information
at the website of Amazon.com, Wal-Mart and Trafford
Publishing Canada.
VANAF 16
OKTOBER 2004 HEEFT
DE OPRICHTER VAN DE STICHTING
CERVANTES BENELUX,
EIGENAAR VAN HET HANDELSMERK
INSTITUTO CERVANTES
IN DE BENELUX EN DE LIMITED
COMPANY INSTITUTO CERVANTES ENGLAND AND WALES - OP STRAFFE VAN EEN DWANGSOM -
EENIEDER WAAR OOK TER WERELD - VERBODEN GEBRUIK TE MAKEN VAN DE
BEELTENIS VAN ZIJN OP 31
AUGUSTUS 1997 TIJDENS
EEN ONTVOERINGSPOGING OM
HET LEVEN GEKOMEN PARTNER,
TENZIJ DIT BINNEN HET KADER VAN DE DOOR HEM VERSTREKTE VOLMACHTEN NADRUKKELIJK IS OVEREENGEKOMEN.
THE WORK CONTINUES
© J.L. VAN
DER HEYDEN TORREMOLINOS
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN